Marine Le Pen werd vorig jaar geen Frans president, maar intussen is het Rassemblement National (RN) met 89 parlementsleden vertegenwoordigd in het Franse parlement. Nooit was het RN zo sterk vertegenwoordigd in het Frans parlement. In Zweden werd Sverigedemokraterna (SD, “Zweden-democraten”) de grootste rechtse partij en een steunpilaar voor de nieuwe rechtse regeringscoalitie. In Italië werd Giorgia Meloni (Fratelli d’Italia) niet alleen de eerste vrouwelijke premier van het land, maar leidt ze ook de meest rechtse regering in Italië ooit. En de aanhouding van vijfentwintig mensen die een staatsgreep in Duitsland planden, brengt ons in herinnering dat extreemrechtse bedreigingen voor de democratie niet alleen van bepaalde politieke partijen komt.

Cas Mudde (professor aan de universiteit van Georgia, Verenigde Staten, en aan een onderzoekscentrum over extremisme verbonden aan de universiteit van Oslo, Noorwegen) ziet extreemrechtse partijen als grootste bedreiging voor de liberale democratie in Europa. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog doen extreemrechtse partijen mee aan verkiezingen in heel West-Europa, maar nu gaan ze van de rand naar het midden van het politiek debat. Vijf Europese landen, maar niet uitsluitend deze vijf, verdienen daarbij bijzondere aandacht. Van het meest naar het minst acute bedreigingsniveau zou de wereld Hongarije, Polen, Italië, Zweden en Frankrijk in de gaten moeten houden.

In de eerste golf, ongeveer 1945-1955, waren de extreemrechtse partijen neofascistisch en electoraal onbelangrijk. Met uitzondering van de Movimento Sociale Italiano (MSI), de voorloper van Fratelli d’Italia, de partij van Giorgia Meloni. De tweede golf van rechts-populisme, 1955-1980, bracht partijen die uit het niets relatief grote electorale resultaten behaalden maar een of twee verkiezingen later in de politieke vergetelheid verdwenen. Zoals de poujadisten van de Union et Fraternité Française (UFF) die bij de parlementsverkiezingen in 1956 bijna 13 % van de stemmen in Frankrijk en 52 parlementszetels binnenhaalden. Pas in de derde golf, 1980-2000, begonnen extreemrechtse partijen in te breken in verschillende Europese landen, zoals de Freiheitliche Partei Österreichs (FPÖ) in Oostenrijk. Het was vooral de immigratie die ze als thema bespeelden. Het maakte de weg vrij voor de vierde golf begin deze eeuw, waarbij extreemrechtse partijen van de politieke marge naar de politieke mainstream evolueren en hun electorale steun vergroten.

Cas Mudde maakt al enkele jaren een onderscheid tussen radicaal rechtse partijen en extreemrechtse partijen, waarbij eerstgenoemden de parlementaire weg willen bewandelen om aan de macht te komen en de laatstgenoemden gebruik van geweld niet schuwen. Maar nu ziet hij bij sommige partijen die grens tussen radicaal rechts en extreemrechts vervagen. Zoals bij Alternative für Deutschland (AfD) in Duitsland en Forum voor Democratie (FvD) in Nederland. Beide partijen combineren nativistische oppositie tegen immigratie (nativisme verwijst naar een combinatie van nationalisme en xenofobie waarin de monoculturele natiestaat het ideaal is en alle niet-autochtonen als bedreigend worden ervaren, A.S.) en populistische afwijzing van het establishment met kwalijke historische referenties. AfD-medeoprichter Alexander Gauland (AfD) vergeleek het foute van het nazisme met slechts vogelpoep en Forum voor Democratie-parlementslid Pepijn van Houwelingen zei in het Nederlandse parlement tegen een linksliberaal parlementslid: “Uw tijd komt nog wel, er komen tribunalen.” Omwille van die mogelijkheid tot verschuiving maken een aantal auteurs (Vincent Scheltiens, Antifascista Siempre…) al langer geen onderscheid tussen radicaal rechts en extreemrechts, en gebruiken ze ‘extreemrechts’ als een algemeen begrip.

Alternative für Deutschland (AfD) en Forum voor Democratie (FvD, foto) zijn geëvolueerd van radicaal rechtse naar extreemrechtse partijen. Dergelijke verschuivingen zijn de reden waarom sommige waarnemers die partijen niet opdelen naar theoretische concepten en het houden bij ‘extreemrechts’ als algemeen begrip (foto © Instagram).

Volgens Cas Mudde zijn vijf Europese landen in het bijzonder in de gaten te houden dit jaar, met om te beginnen Hongarije. De Fidesz-partij van Viktor Orbán is in 1988 opgericht als een pro-westerse partij. Tegenwoordig is Orbán de held van extreemrechts in Europa en de Verenigde Staten (foto helemaal bovenaan: Viktor Orbán en Tom Van Grieken in 2022 © Facebook). Orbán wordt geprezen als de beschermer van het christendom, de Europese cultuur en het traditionele gezin. Na teleurstellende verkiezingen in 1990 en 1994 transformeerde Orbán Fidesz in een conservatieve partij. Daarmee won hij de verkiezingen in 1998 en kon hij zijn eerste coalitieregering vormen. Orbán reageerde zuur op zijn machtsverlies in 2002 en steunde gewelddadige protesten tegen de Hongaarse regering in 2006. In 2010 komt Orbán terug aan de macht en gebruikt dit om een nieuwe grondwet in te voeren, het overheidspersoneel te vervangen en via semioverheidsinstellingen bijna alle Hongaarse mediakanalen en vele universiteiten te controleren. Met staatsfondsen koopt Orbán buitenlandse bedrijven op. Daarnaast voert hij een conservatief beleid ter verdediging van kerk, gezin en natie. Bij de vluchtelingencrisis van 2015-2016 schakelt Orbán over op een agressieve en openlijk nativistische agenda. Orbán laat een hoogtechnologisch hek bouwen om vluchtelingen, en vooral moslims, aan de grens tegen te houden. Tegelijkertijd zorgt hij voor ‘gezinsgezinde’ beleidsmaatregelen die het geboortecijfer bij de Hongaren moet opkrikken. Hoewel Hongarije niet langer een liberale democratie maar (dixit het Europees Parlement) een electorale autocratie is, zijn Fidesz en Orbán populair in Hongarije. Geholpen door een hopeloos verdeelde oppositie en de volledige controle over de media, waardoor de massale corruptie van het Orbán-regime niet in beeld komt.

Polen is een gelijkaardig verhaal als Hongarije, maar tot nu toe minder uitgesproken. De huidige regeringspartij Prawo i Sprawiedliwość (PiS, “Recht en Rechtvaardigheid”) heeft zijn wortels in de anticommunistische oppositie en is in twee decennia van het centrum naar extreemrechts verschoven. Net als Fidesz in Hongarije heeft PiS de staatsmedia veranderd in een instrument voor partijpropaganda en de onafhankelijke rechterlijke macht aangevallen. PiS heeft haar sociaaleconomische agenda gecombineerd met genereuze subsidies voor grotere gezinnen en plattelandsgemeenschappen. Cultureel verdedigt PiS resoluut de traditionele familie en verzet zich tegen LGBTQ-rechten, vaak in nauwe samenwerking met de katholieke kerk. Op het gebied van buitenlands beleid zijn de verschillen tussen PiS en Fidesz groter. PiS is fundamenteler eurosceptisch vanwege een diepgewortelde anti-Duitse houding, en is meer pro-Amerikaans en anti-Russisch. PiS wordt meer dan Fidesz geconfronteerd met een sterke tegenstand van zowel het maatschappelijk middenveld als van politieke partijen in Polen. Dat werd vooral zichtbaar na de afkondiging van een verbod op abortus in 2020, waarna meer dan 100.000 Poolse vrouwen de straten van de Poolse hoofdstad Warschau overspoelden.

In Italië is het zakenman Silvio Berlusconi – premier in 1994, 2001-2006 en 2008-2011 – die extreemrechts uit de marge haalde met de creatie in 1994 van een centrumrechts blok met zijn eigen partij én de postfascisten van de Alleanza Nazionale (AN) en de regionale populisten van de Lega Nord. In 2018 werd de geradicaliseerde Lega van Matteo Salvini de grootste rechtse partij, en in 2012 werd Fratelli d’Italia van Giorgia Meloni de grootste rechtse partij. Het ging er dus van kwaad naar erger. Concurrerende ego’s en onderling wantrouwen bedreigen de huidige Italiaanse regering. Noch Berlusconi noch Salvini zullen een ondergeschikte rol aanvaarden, laat staan die onder een vrouw.

Giorgia Meloni, de eerste vrouwelijke premier van Italië maar ook de premier van de meest rechtse Italiaanse regering na het tijdperk van Benito Mussolini (foto © Facebook).

In Zweden kon men Sverigedemokraterna (SD, ‘Zweden-democraten’) lange tijd negeren omwille van hun neonazistische wortels en lage electorale steun, maar in 2014 begint dat te veranderen als SD bij de parlementsverkiezingen de derde meeste zetels binnenhaalt. Vier jaar later is SD zo groot geworden dat noch centrumlinks noch centrumrechts een sterke regering kunnen vormen. Sindsdien zijn SD-thema’s zoals misdaad en immigratie nog meer mainstream geworden en heeft traditioneel rechts de deur geopend voor officiële samenwerking met SD. In oktober vorig jaar werd een rechtse minderheidsregering gevormd die afhankelijk is van de steun van SD. Iets wat zich laat lezen in het regeerakkoord.

In Frankrijk had het Front National (FN) van eerst Jean-Marie en dan Marine Le Pen tot vorig jaar weinig parlementsleden, maar haar politieke invloed was zichtbaar. Al in de jaren negentig kopieerden Franse politici van alle traditionele partijen de FN-standpunten over immigratie. Marine Le Pen volgde in 2011 haar vader op aan het hoofd van het FN, en veranderde in 2018 de partijnaam in Rassemblement National (RN). Het waren stappen om de partij te de-demoniseren, wat de partij meer aanvaardbaar bij de Fransen maakte. RN kreeg bij de parlementsverkiezingen vorig jaar concurrentie op rechts van Éric Zemmour, maar spijts alle media-aandacht waren de parlementsverkiezingen voor Zemmour een slag in het water. Met de deze week bekendgemaakte pensioenplannen van de Franse president Emmanuel Macron krijgt de oppositie van Marine Le Pen nog eens de wind in de zeilen.

De belangrijkste impact van extreemrechts is indirect, door traditioneel rechts dat de extreemrechtse agenda overneemt tot samenwerkt met extreemrechtse partijen. Bijzonder problematisch is dat het vaak niet als extreemrechts of bedreigend wordt ervaren. Om een voorbeeld uit eigen land te nemen: hoe vaak is in de pers vermeld dat de regering-Jambon in haar regeerakkoord drie punten heeft opgenomen die enkel in het Vlaams Belang-verkiezingsprogramma stonden? Niet in de verkiezingsprogramma’s van N-VA, CD&V en Open VLD.

Cas Mudde besluit: “Hoewel het belangrijk is om de dreiging niet te overdrijven – dit vergroot alleen maar de kracht ervan – moeten we erkennen dat de meeste extreemrechtse partijen pas relatief recent onderdeel zijn geworden van het reguliere politieke proces. Ze missen vaak de ervaring en vaardigheden om het systeem fundamenteel te veranderen en velen falen bij hun eerste poging om aan de macht te komen. Maar ze leren van eerdere fouten, en tientallen jaren van mainstreaming en normalisatie helpen hen om meer ervaren en bekwame mensen te krijgen. (…) De extreemrechtse dreiging voor de Europese liberale democratie is reëel, maar er is nog tijd om de ergste gevolgen het hoofd te bieden – buiten Hongarije dus.”

Cas Mudde: “De extreemrechtse dreiging voor de Europese liberale democratie is reëel, maar er is nog tijd om de ergste gevolgen het hoofd te bieden – buiten Hongarije dus.” (foto © AFF).
Advertentie