In ons eerste artikel over de vakbond die in het verweer gaat tegen extreemrechts toonden wij een brochure van de socialistische bediendenvakbond BBTK die antwoorden geeft op heikele vragen die wel eens aanleiding kunnen zijn om extreemrechts te stemmen. Maar hoe groot is de kans dat vakbondsleden extreemrechts stemmen? Dit najaar wordt een grondige analyse van het stemgedrag bij de parlementsverkiezingen op 26 mei 2019 gepresenteerd. In afwachting moeten we het doen met een gelijkaardig onderzoek bij de parlementsverkiezingen op 25 mei 2014 van Koen Abts, Marc Swyngedouw en Bart Meuleman van het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO) in Leuven. Onderzoek dat niet alleen het nadeel heeft dat het verderaf in jaren ligt, maar ook dat het Vlaams Belang toen maar 5,9 % van de geldige stemmen behaalde bij de Vlaamse parlementsverkiezingen. Wat voor de samenleving een voordeel is (het Vlaams Belang op een historisch dieptepunt), is voor onderzoekers een nadeel omdat de ‘massa’ waarop men de analyse kan maken veel kleiner is (foto hierboven: socialistische, christelijke en liberale vakbondsleiders spreken hun militanten toe © AFF).

Met het voorbehoud dat het moeilijk(er) is betrouwbare uitspraken te doen omdat de schattingen gebaseerd zijn op een beperkt aantal kiezers, komt naar voor dat zoals in 2010 het Vlaams Belang in 2014 vooral sterk vertegenwoordigd is in de groep 45 tot 54-jarigen, en vooral scoort bij de ongeschoolden en de mensen met een diploma hoger secundair onderwijs (niet onder de universitair geschoolden en hogere kaderfuncties). Heel wat Vlaams Belang-kiezers zeggen geen levensbeschouwing te hebben; bij de kerkgangers krijgt het Vlaams Belang minder stemmen. Bijna alle Vlaams Belang-kiezers zeggen lid (geweest) te zijn van een vakbond; slechts 1 op 8 Vlaams Belang-kiezers zegt geen lid (geweest) te zijn van een vakbond.

Bij de ABVV-leden zijn in 2014 de kiezers voor CD&V, Open VLD en N-VA ondervertegenwoordigd in vergelijking met de kiezers in heel Vlaanderen; zijn oververtegenwoordigd in vergelijking met de kiezers in heel Vlaanderen: de kiezers voor de SP.A (afgerond + 57 %, alle cijfers zijn enkel maar ter aanduiding van de grootorde), het Vlaams Belang (+ 39 %) en Groen (+ 21 %). Bij de ACV-leden zijn oververtegenwoordigd in vergelijking met de kiezers in heel Vlaanderen: de kiezers voor de CD&V (+ 46 %) en de kiezers voor de SP.A (+ 16 %). De Vlaams Belang-kiezers bij de ACV-leden zijn in verhouding even talrijk als bij de rest in Vlaanderen. Bij de veel kleinere liberale ACLVB zijn oververtegenwoordigd in vergelijking met de kiezers in heel Vlaanderen: de kiezers voor het Vlaams Belang (+ 59 %) en voor Groen (+ 48 %).

Alle cijfers zijn, zoals al gezegd, alleen van belang om de grootorde aan te geven. Bekijk ze niet als absolute percentages. Bij de ABVV- en ACLVB-leden zijn de Vlaams Belang-kiezers dus oververtegenwoordigd in vergelijking met de rest van Vlaanderen; bij het ACV heeft men ook een probleem met in verhouding evenveel leden als mensen in de rest van Vlaanderen die Vlaams Belang stemmen. Betrouwbaarder cijfers voor het Vlaams Belang zullen voortkomen uit de analyse van de kiesresultaten in 2019 toen het Vlaams Belang in Vlaanderen 18,5 % van de stemmen behaalde, met als nadeel dat in 2019 waarschijnlijk meer vakbondsleden dan in 2014 Vlaams Belang gestemd hebben.

Bij de rode ABVV- en blauwe ACLVB-leden zijn de Vlaams Belang-kiezers oververtegenwoordigd in vergelijking met de rest van Vlaanderen; bij het groene ACV heeft men ook een probleem met in verhouding evenveel leden als mensen in de rest van Vlaanderen die Vlaams Belang stemmen (foto © AFF).

Stemmen voor het Vlaams Belang gaat dwars in tegen de ideologie van de vakbonden, maar om dat te begrijpen moet men ook nagaan waarom mensen lid worden van een vakbond. Daarvoor helpt ons een andere studie van Marc Swyngedouw, Koen Abts en Bart Meuleman (ISPO) bij de kiezers in 2014. De studie bekijkt zowel de motieven in Vlaanderen als in Franstalig België. Wij citeren hier de cijfers voor Vlaanderen. De belangrijkste reden om aan te sluiten bij een vakbond is niet ideologisch, maar omwille van de dienstverlening. Ongeveer 3 op 4 van de vakbondsleden vindt de dienstverlening door de vakbond, nog afgezien van het uitkeren van de werkloosheidsvergoeding, een belangrijke reden om aan te sluiten. Voor ongeveer 1 op 2 van de (gewezen) vakbondsleden is het mee uitbetalen van de werkloosheidsvergoeding een belangrijke reden.

“Omdat ik nu eenmaal uit een socialistisch, katholiek of liberaal milieu kom”, is voor ruim 1 op 4 van de vakbondsleden een motief. Een motief vooral bij de oudere vakbondsleden, en veel minder bij de jongere vakbondsleden. “Omdat ik wilde meewerken aan een solidaire en democratische gemeenschap” wordt slechts door circa 1 op 3 van de vakbondsleden naar voor geschoven. Zowat 2 op 3 vakbondsleden motiveert zijn of haar aansluiting met “omdat de vakbond het best de rechten van de werknemers verdedigt”; voor iets minder dan 1 op 5 is sympathie voor een vakbondsafgevaardigde een reden om lid te worden van de vakbond.

Als mensen vooral lid worden van een vakbond omwille van de dienstverlening, in tweede instantie omdat de vakbond het best de rechten van de werknemers verdedigt, en slechts in laatste instantie aansluiten bij een vakbond omdat men wil meewerken aan een solidaire en democratische samenleving, is het geen gemakkelijke opdracht voor de vakbonden om hun leden te overtuigen bepaalde politieke keuzes (niet) te maken. Daarover meer in volgende afleveringen van deze artikelenreeks.

Als mensen vooral lid worden van een vakbond omwille van de dienstverlening en slechts in laatste instantie aansluiten bij een vakbond omdat men wil meewerken aan een solidaire en democratische samenleving, is het geen gemakkelijke opdracht voor de vakbonden om hun leden te overtuigen bepaalde politieke keuzes (niet) te maken (foto © AFF).